Het voorjaar gaat beginnen
De meteorologische lente begint op 1 maart; de astronomische drie weken later. Frisse en gure dagen wisselen soms af met warm lenteweer. Juist die mix van koud en mild is typisch voor maart. Na de equinox kan het vaker zacht en lenteachtig aanvoelen. Onze zintuigen krijgen een boost om weer te kijken, te luisteren en geuren op te snuiven. De dagen worden merkbaar langer, de zon wordt sterker en overal in de natuur barst een nieuw groeiseizoen los. Dan verschijnen er steeds vaker bloemen met soms zelfs vlinders en wilde bijen. Ook vogels, kikkers, padden, salamanders, muizen, eekhoorntjes en anderen laten zich horen of zien. Je voelt gewoon: er hangt iets nieuws in de lucht.




Voorjaarsbloeiers in het bos
Maart kent al veel meer voorjaarsbloeiers dan februari, zeker naar het einde van de maand toe. Veel van deze voorjaarsbloeiers groeien van nature in twee dynamische, voedselrijke milieus: aan de voet van hellingen en in bossen langs beken. In de botanische tuin groeien ze in het gras of op het Alpinum, maar de meeste zijn te vinden in de rijkere bosgemeenschappen. Een viertal voorbeelden van zulke bosgemeenschappen vind je voornamelijk in de zuidelijke helft van de tuin. Hiervan neemt het Eiken-Haagbeukenbos het grootste oppervlak in. Al deze bostypen worden als het ware van beneden naar boven groen: de voorjaarsplanten komen tot bloei vóórdat de bomen in blad staan. Daar tegenover staan de armere bosgemeenschappen die als het ware van boven naar beneden groen worden. Deze met name door de Zomereik gedomineerde bostypen bevinden zich meer in de noordelijke helft van de tuin. Een bijzonderheid aldaar in het Klimop-Eikenbos is het voorkomen van Kroos of Kerspruim. Bij de aanleg van de tuin werd destijds dit perceel benoemd als ‘Kroosjesbos’. Kroosjes bloeien al in maart en mede vanwege het primeureffect waren ze geliefd. Vooral met de komst van jaarrond import van pruimen en rooipremies in de jaren ’60, ’70 is dit fruit in ons land zeldzaam geworden. Misschien zijn ze daarom wel in dit deel van de tuin aangeplant.




Mooie voorbeelden van bossen met een rijke voorjaarsflora vind je voornamelijk in het Zuid-Limburgse heuvelland, de binnenduinrand en langs beken in pleistocene gebieden. Dichtbij huis: aan de voet van de stuwwal. Ook buiten deze natuurlijke groeiplaatsen kun je vergelijkbare begroeiingen tegenkomen, maar dan op gecultiveerde standplaatsen; buitenplaatsen, oude boerenhoeven, pastorietuinen, kerkhoven, stadswallen, etc. De botanische tuin is hier ook een voorbeeld van. De planten die op zulke plekken ooit zijn aangeplant, maar die zich in deze milieus weten te handhaven, worden wel stinsenplanten genoemd. Ze werden uit hun natuurlijke groeigebieden gehaald en voor de sier aangeplant. Sommige komen uit Nederland, andere uit Zuid-, Centraal- en Oost-Europa of nog verder. Wie meer wil weten en belangstelling hiervoor heeft kan zich aanmelden voor de stinsenplanten-excursie op 29 maart.
Hemelse bloemen: hemelsleutels en sterhyacinten
Uit het ruime aanbod prachtige bloeiers deze maand, kunnen hier vanwege ruimtegebrek slechts enkele soorten getoond worden. Laten we beginnen met sleutelbloemen om als het ware de lente te openen. De naam ‘sleutelbloem’ stamt waarschijnlijk uit de legende waarin Petrus zijn gouden sleutels van de hemelpoort liet vallen. Op de plaats waar ze de grond raakten, zou een plant zijn gaan groeien met trosjes goudgele bloemen, die doen denken aan een sleutelbos. Pasen valt ook nog eens in de bloeiperiode van sleutelbloemen. Zo werden ze het symbool voor het begin van de lente en het ontsluiten van de hemel. Een oude naam is ook hemelsleutel. Die naam is in ons land tegenwoordig gereserveerd voor een vetplant die ook in de tuin te vinden is, maar veel later in het seizoen tot bloei komt. Twee soorten bloeien al in maart: Slanke sleutelbloem en Stengelloze sleutelbloem. De derde is de Gulden sleutelbloem die meestal iets later begint te bloeien. Deze drie groeien van nature zelden zo dicht bij elkaar als in de Hortus en dan is er kans op hybridisatie. Sleutelbloemen worden graag bezocht door insecten. De nectar van de sleutelbloem ligt diep in de bloembuis. Daar kunnen alleen bestuivers met een lange roltong bij, zoals hommels en vlinders. Bijgaand een foto van de Citroenvlinder die zijn roltong diep in de bloembuis steekt. Charles Darwin was al geïnteresseerd in sleutelbloemen en hun interactie met insecten. Hij ontdekte dat er twee typen bloemen van sleutelbloemen zijn waardoor kruisbestuiving makkelijker ontstaat zodat de nakomelingen beter aangepast zijn (meer ‘fit’ = aangepast) dan bij zelfbestuiving. De beroemde term “Survival of the fittest” voor deze natuurlijke selectie binnen een populatie is later bedacht door Herbert Spencer. Het is ingewikkelde maar interessante materie. In “Vroege Vogels” wordt één en ander duidelijk uitgelegd aan de hand van de Gulden sleutelbloem. link: https://www.youtube.com/watch?v=DzpWvZpgxdY
We verlaten de gele sleutelbloemen maar blijven bij de hemel op aarde en komen bij de sterren die hemelsblauw kleuren. Het zijn stervormige voorjaarsbloeiers van het geslacht Scilla; in het Nederlands: Sterhyacint. In de Hortus groeien minstens drie soorten: Grote sneeuwroem, Middelste sneeuwroem en Oosterse sterhyacint.




Van nature groeien deze sterhyacinten ver weg in gebieden als Turkije en Centraal-Azië. Dit zijn zeker niet de enige soorten in de Hortus die uit die contreien komen. Wat te denken van de Turkestaanse tulp (Tulipa turkestana) of de Gewei-iris (Iris bucharica)? Een andere prachtige niet-inheemse soort is de Hondstand (Erythronium dens-canis). Ook deze groeit van nature in genoemde contreien, maar komt dichterbij ook al in het bergachtige zuiden van Europa voor. De Californische hondstand (Erythronium californica) komt uit Californië. Net als de Europese begint de bloei later in de maand of begin april. Beide hondstanden worden helaas vaak gestolen en het is de nog maar de vraag of ze dit jaar nog te bewonderen zijn. We hebben nog de plaatjes…





Twee zaadplanten en twee sporenplanten
Na het uitstapje naar enkele niet-inheemse soorten, nu een viertal inheemse soorten die in relatief vochtige omstandigheden groeien: twee zaadplanten en twee sporenplanten. Om ze buiten de tuin in het wild te zien hoef je niet ver te gaan. Hun natuurlijke standplaatsen zijn in het Rijk van Nijmegen te vinden.
De eerste is Gevlekte dovenetel die in de Hortus aan de rand (zoom) van het “Iepenbos” gedijt. Het is een soort die kenmerkend is voor voedselrijke zomen van relatief schaduwrijke mantels en zomen. De botanische tuin herbergt met Gevlekte dovenetel een groep van nog ruim twintig soorten die een voorkeur voor dergelijke condities hebben. Om er enkele te noemen: Hondsdraf, Look-zonder-Look, Dolle kervel, Dagkoekoeksbloem, Witte dovenetel, Geel navelkruid, Akkerkool, Groot glaskruid, Overblijvende ossentong, etc. Daartoe behoren ook soorten die een beetje in toom worden gehouden, zoals het door tuiniers gevreesde Zevenblad en andere weinig gewaardeerde soorten als Grote brandnetel en Kleefkruid. Overigens, veel van die soorten worden wèl gewaardeerd door een groot aantal insecten. Dagpauwoog, Gehakkelde aurelia, Atalantaen Kleine vos kunnen niet leven zonder de Grote brandnetel. Hun rupsen voeden zich uitsluitend met deze plant. Daarom worden niet alle brandnetels in de tuin gewied. In de komende maanden zullen meerdere voorbeelden van bestuivers in de nieuwsbrief aan de orde komen.
De tweede is het Muskuskruid, een klein onopvallend zeldzaam plantje dat bloempjes heeft die licht naar muskus ruiken. Muskuskruid heeft een voorkeur voor matig beschaduwde en matig vochtige plekken op losse bodems met een goede strooiselvertering. Als het ergens groeit dan vaak massaal, zoals op pas gesedimenteerde delen in oeverwalbossen langs beken en rivieren of aan de voet van hellingen en langs holle wegen. In de Hortus zijn slechts weinig plekken waar Muskuskruid wil groeien. Aan de voet van het Judaspenning-Hellingbos bij de “Holle Weg” groeien slechts weinig exemplaren, maar op een plek in het “Iepenbos” groeien er beduidend meer. Dit type bos was in de Hortus oorspronkelijk bedoeld als een voorbeeld van het Essen-Iepenbos dat in ons land gevonden wordt langs beken en rivieren. Voor dit doel werd bij de aanleg eind jaren ’60 de samenstelling van de bodem aangepast. Ook werd vrijwel over de gehele botanische tuin een ondergrondse regeninstallatie aangelegd, die echter lang geleden al stuk is gegaan. Het gevolg was dat het oorspronkelijk beoogde bos niet geheel tot ontwikkeling kon komen. Wel groeien er nog steeds essen en iepen en enkele soorten die een iets bredere ecologische reikwijdte hebben.
De derde is de Reuzenpaardenstaart. In het vroege voorjaar verschijnen de bleke fertiele scheuten met bovenop een sporenaar. Ze lijken eerder op paddenstoelen dan planten. De lange sporenaren bestaan uit schubjes waaronder de sporen zitten. Ze verdwijnen weer als de sporen rijp en verspreid zijn. Daarna groeien pas de hoge manshoge vegetatieve stengels. Reuzenpaardenstaart komt uit dezelfde familie als Heermoes. Deze laatste is de schrik van de tuiniers want bijna niet uit te roeien. Terwijl Heermoes in ons land tot de meest algemene soorten behoort, is Reuzenpaardenstaart veel zeldzamer. Dat komt omdat zijn natuurlijke standplaatsen in ons land zeldzaam zijn, zoals bronbossen, slootkanten en nat grasland waar schoon kalkrijk water uit de bodem omhoog komt. Dankzij diepe beworteling kan hij met zijn uitlopers ook drogere of verstoorde plekken veroveren. In de Hortus heeft hij zich daarom de laatste jaren sterk uitgebreid. Grote paardenstaart behoort tot de vaatplanten: ze hebben wortels, een stam en bladeren.
De vierde is: Gewoon plakkaatmos (Pellia epiphylla)
Dit levermos is een wonderlijke verschijning met een evenzo wonderlijke geschiedenis die echter te gecompliceerd is om hier uit de doeken te doen. Zelfs in de wetenschap is men er nog niet geheel uit. Daarom slechts een tipje. Net als Reuzenpaardenstaart is Gewoon plakkaatmos een sporenplant die behoort tot de cryptogamen. De naam is afgeleid uit het Oudgrieks (cryptos = verborgen; gamein = trouwen), vrij vertaald als ‘in het verborgen huwenden’. Het zijn planten met verborgen geslachtsorganen. Hiertegenover staan de fanerogamen waar de tuin vol mee staat: planten met zichtbare geslachtsorganen. Zulke beschrijvende namen zijn uit de mode geraakt vanwege nieuwe inzichten in de plantensystematiek, maar mogen nog wel gebruikt worden. Bekende groepen cryptogamen zijn wolfsklauwen, varens, mossen en algen. Hun interessante levenscycli zijn uitermate ingewikkeld.
Levermossen gedijen in vochtige, schaduwrijke omgevingen. Een belangrijk verschil met bladmossen is dat ze geen bladnerf hebben. Ze vormen vaak platte, leerachtige lichamen en vermeerderen zich via sporen. Ze vormen vaak dichte matten op aarde, rotsen of in potgrond. In de Hortus groeit Gewoon plakkaatmos op enkele kalkarme steilkantjes langs de beek of aan de oever van de vijver. In het vroege voorjaar verschijnen de witte steeltjes met daarop de kapsels die bij rijpheid open springen en zo de sporen verspreiden. Het Parapluutjesmos stelt minder eisen aan het milieu en is het meest algemene levermos in de Hortus. Het is herkenbaar aan de paraplu-vormige voortplantingsorganen die wel wat weg hebben van minipalmboompjes.




Van vlinders en vosjes
In de maand maart zijn tot nu 11 dagvlinders gezien op basis van de observaties die zijn gerapporteerd aan waarneming.nl. De Citroenvlinder is verreweg het meest gezien, gevolgd door Dagpauwoog en Gehakkelde aurelia. De Kleine vos werd vroeger ook vaak gezien, maar nu al negen jaar niet meer. Landelijk gezien was het een heel algemene soort, terwijl de Grote vos een grote zeldzaamheid was. Met de Grote vos gaat het tegenwoordig juist een stuk beter. Deze werd pas in maart 2020 voor het eerst gezien in de Hortus en is sindsdien opnieuw enkele jaren in maart gezien. De laatste keer was zelfs al in februari dit jaar. Volgens de Vlinderstichting is de achteruitgang van de Kleine vos in ons land net zo moeilijk te verklaren als de grote en snelle toename van de Grote vos.
De benaming “vos” wordt ook gebruikt voor een zandbij die reeds in maart in de Hortus vliegt: het Vosje ( Andrena fulva). Het Vosje heeft wel wat weg van een hommeltje. Het is een cultuurvolger en inmiddels in menig stedelijk plantsoen of tuin door geheel Nederland te zien (wildebijen.nl).




Tekst en foto’s: Jan Jansen