Judaspenning-Hellingbos

Home > Educatie > Beplanting > Judaspenning-Hellingbos

On-Nederlandse vegetatie in een zeldzaam landschap

Een holle weg is een bijzonder landschapselement dat in Nederland slechts op enkele plekken te vinden is. Met name in Zuid-Limburg en het Rijk van Nijmegen kun je zulke beschutte paden tegenkomen, omzoomd door steile aarden wanden vol schaduwminnende planten.

De Hortus Nijmegen herbergt ook zo’n holle weg, gelegen aan de westkant van het Alpinum. Hier groeien planten die je normaal gesproken pas ten zuiden van de landsgrenzen zou verwachten, in België en Duitsland. De vegetatie die zich hier heeft ontwikkeld, wordt aangeduid als Judaspenning-Hellingbos, bestaande uit varens, mossen en bloeiende planten die een uitgesproken voorkeur hebben voor schaduw.

Ontstaan

Holle wegen zijn ontstaan door eeuwenlange erosie. In heuvelachtige gebieden, zoals de Nijmeegse stuwwal en de Zuid-Limburgse plateaus, slijten water, wind en ijs de bodem langzaam uit. Regenwater stroomt naar de laagste plekken en vormt geulen in het landschap. Deze geulen, ook wel grubben genoemd, werden in het verleden door mensen als paden gebruikt, wat het proces van uitslijting verder versnelde. Met diepe hellingen aan beide kanten van de weg als gevolg. In de Hortus is de holle weg kunstmatig aangelegd, maar de omstandigheden bootsen die van natuurlijke holle wegen na. Dit creëert een geschikt microklimaat voor het Judaspenning-Hellingbos, met planten die vooral ten zuiden van ons, vlak over de grens in Belgie en Duitsland, te vinden zijn.

Kenmerken van een Judaspenning-Hellingbos

De plantensoorten die in deze holle wegen groeien, komen meestal ook voor in de ravijnen van heuvelachtige gebieden in heel Centraal-Europa. Dit is geen toeval: de omstandigheden zijn vergelijkbaar. Steile hellingen zorgen voor zorgen voor schaduw, waardoor een koel klimaat met een hoge luchtvochtigheid ontstaat. Naast veel bijzondere mossen en levermossen zijn stijve naaldvaren (Polystichum aculeatum) en wilde judaspenning (Lunaria rediviva) kenmerkende soorten.

Judaspenning-hellingbos in de Hortus

De holle weg ligt aan de schaduwzijde van het Alpinum. Hoewel de omvang beperkt is, kent hij een grote soortenrijkdom en groeien er veel bijzondere plantensoorten. In het voorjaar kleurt de helling geel en wit door de bloei van de wilde narcis (Narcissus pseudonarcissus), glanzend sneeuwklokje (Galathus woronowii) en stinkend nieskruid (Helleborus foetidus). Later in het seizoen volgt de bloei van de judaspenning (Lunaria rediviva) met geurende bloemen. Van de vruchten, hauwtjes genoemd, vallen bij rijpen de twee kleppen af waardoor het tussenschot met de zaden, als een zilverige munt, overblijft tot ver in de winter. Aan de boskant groeien verder de aalbes (Ribes rubrum), wilde kamperfoelie (Lonicera periclimenum) , bosanemoon (Anemone nemorosa) en muskuskruid (Adoxa moschatellina), lieve vrouwen bedstro (Galium odoratum) en grote muur (Stellaria holostea). Zeldzame Rode Lijst-soorten zoals stijve naaldvaren (Polystichum aculeatum), boswalstro (Galium sylvaticum) en voorjaarslathyrus (Lathyrus vernus), maken de holle weg een van de plekken in de Hortus met de hoogste soortenrijkdom qua planten.

Beheer

De instandhouding van de holle weg vraagt om zorgvuldig beheer. In de winter worden de hellingen gecontroleerd en waar nodig wordt het takkenvlechtwerk aan de boskant verstevigd met hazelaartakken. Ook wordt de stabiliteit van de keerwand richting het Alpinum nagekeken. De bodem van de holle weg wordt in de winter aangevuld met zand om verdere erosie tegen te gaan. Daarnaast wordt de Noord-Amerikaanse franjekelk (Tellima grandiflora), een zich snel uitbreidende exoot, selectief verwijderd. Bladval wordt in beperkte mate opgeruimd voordat de voorjaarsbollen opkomen, en afgestorven stengels worden teruggesnoeid. Wieden van heermoes, akkerwinde en andere ongewenste soorten gebeurt doorlopend.

×