Waar water en natuur samenkomen
Een vochtige plek vol bijzondere planten, insecten en andere kleine bewoners. Ontdek wat hier allemaal leeft!
Natte strooiselruigten zijn weelderige, hoog opgaande begroeiingen van vochtige en voedselrijke plekken. Ze groeien op plaatsen die regelmatig nat zijn of tijdelijk kunnen overstromen. In de zomer vallen ze op door hun grote verscheidenheid aan kleurrijke bloemen. Veel van deze planten produceren nectar en trekken daardoor grote aantallen insecten.
Vegetatiekundig behoren deze plantengemeenschappen tot de klasse van de Convolvulo-Filipenduletea. Die naam verwijst naar twee soorten die vaak in deze begroeiingen voorkomen: Haagwinde en Moerasspirea.
Natte strooiselruigten komen in Nederland al eeuwenlang voor. Ze ontstonden onder andere op plaatsen waar zeewater geleidelijk zoeter werd, uit kwelders en rietlanden. Ook langs rivieren en oude rivierarmen vinden we deze begroeiingen.
Ze groeien het best net boven de waterlijn, waar voortdurend voedselrijk water beschikbaar is. Wordt een gebied natter, dan kan de begroeiing zich ontwikkelen tot rietland. Wordt het droger, dan ontstaan vaak ruigten waarin bijvoorbeeld brandnetels een belangrijke plaats innemen.
Natte strooiselruigte in de Hortus
In de Hortus Nijmegen vinden we vooral de plantengemeenschap van Moerasspirea en Valeriaan. Hier groeien onder andere Moeraswolfsmelk, Moeraskruiskruid, Echte valeriaan, Koninginnekruid, Moerasspirea, Grote kattenstaart, Grote wederik en Harig wilgenroosje. Ook Poelruit, Moerasandoorn en Gewone smeerwortel zijn hier te vinden.
Vanuit aangrenzende begroeiingen verschijnen soms ook andere soorten, zoals Echte koekoeksbloem, Moerasrolklaver, Wolfspoot, Dotterbloem en Riet.
Je vindt deze vegetatie in de Hortus vooral als een lint langs de beek, langs het rietland en aan weerszijden van het knuppelpad. Door de hoge begroeiing en de grote variatie aan bloemen lijkt een wandeling erlangs in de zomer soms op een etalage vol biodiversiteit.
Vroeg in het jaar bloeit er het Zomerklokje dat in ons land van nature in het zoetwatergetijdengebied in strooiselruigten voorkomt. Omdat ze op elkaar lijken is ter onderscheiding ook het kleinere Lenteklokje ernaast aangeplant. Zij bloeit eerder en is ecologisch juist typerend voor het Judaspenning-Hellingbos. De laatste natuurlijke groeiplaats in ons land was op de Tankenberg bij Oldenzaal. Beide soorten worden vaak aangeplant op buitenplaatsen en worden tot de zogenaamde stinzenflora gerekend.
Een bijzondere plant is de Reuzenpaardenstaart. De stengels bestaan uit losse segmenten die als het ware in elkaar zijn geklikt. Daarom wordt deze plant ook wel eens een ‘legoplant’ genoemd. Van nature is dit geen soort van strooiselruigten maar van kalkrijke bronsystemen in het zuiden en oosten van ons land. Eenmaal aangeplant kan zij zich via wortelstokken in vochtige kalkrijke omgeving uitbreiden. Dat gebeurt tegenwoordig vaker in Nederland.
Fauna
De bloemplanten van de natte strooiselruigten vormen een belangrijke voedselbron voor insecten. Grote kattenstaart trekt bijvoorbeeld verschillende vlinders en bijen, waaronder de gespecialiseerde Kattenstaartdikpoot.
Ook Grote wederik heeft een bijzondere relatie met insecten. De Gewone slobkousbij verzamelt hier onder andere voedsel.
Koninginnekruid is misschien wel een van de grootste insectentrekkers. Op de brede bloemschermen zijn regelmatig zweefvliegen, wilde bijen en vlinders te zien. Maar tussen al die bezoekers loeren ook jagers, zoals de Kameleonspin, die zich uitstekend tussen de bloemen weet te verbergen.
Harig wilgenroosje en Grote kattenstaart zijn bovendien waardplanten voor de rupsen van het Groot avondrood.
Beheer
Om de strooiselruigte in stand te houden, wordt het gebied één of twee keer per jaar gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd. Daarbij wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de bloeiperiodes van planten en met soorten die we graag willen behouden. Woekerende planten worden waar nodig verwijderd.
Voor de liefhebbers
Vegetatiekundig behoren de natte strooiselruigten tot de klasse Convolvulo-Filipenduletea. In de Hortus is vooral de associatie van Moerasspirea en Valeriaan aanwezig: Valeriano-Filipenduletum.