De tuin gaat zomeren
Juni is de laatste lentemaand, maar ook de eerste meteorologische zomermaand. De astronomische zomer start rond de 21ste: de langste dag van het jaar. Het wordt lichter en warmer en de kans op een eerste hittegolf neemt toe. Juni mag de zomer inluiden, maar de hoogste temperaturen en de meeste hittegolven kunnen in juli en augustus optreden. De natuur heeft nog steeds frisse kleuren, maar de verschillende tinten groen verschuiven meer naar elkaar toe. De bomen zitten nu goed in hun blad. De biomassa is enorm toegenomen en daar profiteren ook de bladinsecten van zoals de wantsen, die nu actief worden. Een deel van de voorjaarsflora verdwijnt en de eerste zomerbloeiers verschijnen. De natuur groeit uitbundig en zo ook de grassen. In Nederland wordt tegenwoordig al in maart of april met de eerste maaibeurt begonnen. In de Hortus houden we ons echter liever aan de traditionele agrarische kalender. Er wordt met de zeis gemaaid in de tweede helft van juni. Enkele delen worden gespaard in verband met het insectenleven. Pas in september volgt een tweede snede. We proberen met ons beheer zoveel mogelijk rekening te houden met de huidige stikstofneerslag en de klimaatverandering. Dankzij ons maai- en wiedbeheer zijn onze hooilanden gelukkig nog behoorlijk bloemrijk en aantrekkelijk voor insecten.









Zomaar een willekeurig rondje tuinen
In juni valt er ontzettend veel te beleven. Om te beginnen doen we hier at random een greep uit de vele verschillende bloemen die we in onze tuinen zien. Eerst een impressie van de varenrijke helling met aspect van Geitenbaard . De condities hier zijn enigszins te vergelijken met waar deze planten in het wild groeien. Om ze in het wild te bewonderen moet je naar de berggebieden in Frankrijk of Duitsland reizen waar ze vooral te vinden zijn in vochtige ravijnbossen. Op dezelfde helling zien we het bladerenmozaïek van Struisvaren, Wijfjesvaren, Mannetjesvaren en Pijpbloem . We komen dichterbij en zien de typisch pijpvormige bloemen waaraan zij haar naam ontleent. De bloem vormt een insectenval: de binnenkant van de buis is bekleed met neerwaartse haren. Insecten kunnen wel naar binnen lopen, maar pas weer ontsnappen als de bloem bevrucht is en de haren verschrompelen. Op het volgende plaatje zien we een pril voorjaarsbeukenblad in detail. In het kalkgrasland vóór het Alpinum trekt een Klein geaderd witje de aandacht op de zeldzame Turkse lelie, zoomplant uit heuvelachtige en bergachtige gebieden in Europa en verder oostwaarts . We komen aan op de top van het Alpinum waar een rups van de Kuifvlinder zich te goed aan de bladeren en knoppen van één van zijn waardplanten: Zwarte toorts. Op de achtergrond zie je nog het dwergstruweel van Harig alpenroosje. De vrolijke rozerode bloemen van deze kalkminnende heide-achtige kunnen op een Alpinum natuurlijk niet ontbreken . In de kalkarme Alpen groeit ook nog het kalkmijdende Gewone alpenroosje. We dalen af langs de waterval en zien het Pijlkruid bloeien met daarop de Snorzweefvlieg die van de nectar geniet. We lopen door en komen bij het beeldje ter nagedachtenis aan Victor Westhoff, de mede-oprichter van de tuin. Op de voorgrond bloeit het Hartgespan, een in ons land zeldzame verschijning aan ruderale bosranden op kalk- en stikstofrijke bodems. Op zulke plekken groeit de Grote brandnetel ook graag waardoor Hartgespan steeds zeldzamer dreigt te worden in ons land. Hartgespan is tevens de naam van een gedicht dat Victor Westhoff onder het pseudoniem Peter Sandifort heeft geschreven. Belangstellenden kunnen het nalezen in de gelijknamige bundel gedichten: https://peter-sandifort.com/?page_id=98
We steken nu het paadje in richting oosten en lopen over het bruggetje heen. Als het dan een beetje meezit kunnen we iets verder in het grasveld rechts, de schitterende bloemen bewonderen van de Beemdooievaarsbek. Planten uit het aquatische milieu bloeien vaak wat later in het voorjaar of in de zomer. Langs de beek bloeit nu de Hoge cyperzegge met zijn onopvallende mannelijke bloeiwijze en zijn opvallende lichtgroene hangende vrouwelijke aren. Verderop bij de vijver groeien altijd enkele flinke pollen van de Hangende zegge die door de weerspiegeling in het vaak rimpelloze water de associatie opwekken alsof ze aan het contempleren zijn. Voordat we deze tuin verlaten brengen we nog een kort bezoekje aan het moeras voor de bloeiende Rietorchis langs het knuppelpad en tenslotte blijven we even stilstaan bij de Moerascypressen waar al vele jaren de roze bloeiende Adderwortel gedijt.
We zijn aanbeland in de Tuin van de toekomst die nu in juni qua kleurrijkdom al op zomersterkte is. Vaak staan er fraaie boeketten onder de tent en in de Australische tuin kun je wonderlijke bloemen bewonderen van Verticordia mitchelliana. De betoverende bloemen lijken wel op sierlijk ronddraaiende danseresjes. Een wellicht nog meer betoverende en in ieder geval beter bekende soort onder de bloemisten is de Anigozanthos flavidus , de bekendste Kangaroepootsoort hier in ons land. Om deze planten te kunnen zien moet je ver vliegen. Mocht je helemaal niet willen vliegen, dus bijvoorbeeld niet naar de warme delen van Italië, Griekenland of Turkije gaan om daar bijvoorbeeld Geel brandkruid (Phlomis fruticosa,) in het wild te zien, dan kun je in de Hortus toch van haar bloemen genieten zonder vlieguren te maken. Tenslotte om er nog eentje toe te voegen aan het rijtje exotische planten, komen we uit bij de Witte moerbei . Deze is met enkele bomen in de noordoosthoek vertegenwoordigd, als erfenis uit de vroegere proeftuin van de universiteit. Het is de moeite om hier even bij stil te staan, omdat wat nu volgt slechts bij weinigen bekend is. De bomen werden gebruikt voor experimenten met de Zijderups door wijlen Prof. dr. J.M. Denucé, destijds hoogleraar Zoölogie hier aan de subfaculteit Biologie. Zijn onderzoek was in zijn jonge jaren vooral gericht op het ontrafelen van de biochemische eigenschappen van de zijdedraden, geproduceerd door de Zijderups (Bombyx mori). Dit onderzoek zou hem zijn leven lang blijven fascineren. De rupsen leven van de bladeren. De boom die oorspronkelijk uit China komt, heeft een hele belangrijke rol gespeeld in de economie, denk aan de zijderoute. Deze boom kwam oorspronkelijk alleen voor in China. Eenmaal het land uit gesmokkeld en in verschillende delen van de wereld aangeplant om de larven van de zijdevlinder te kunnen voeden, raakte de zijde-industrie verspreid over verschillende delen van de wereld. Zo was de zijde-industrie, om een voorbeeld te noemen, vanaf de renaissance tot de 19e eeuw de belangrijkste economische activiteit van de stad Lyon. Na al deze omzwervingen met zelfs een duik in de geschiedenis, is het heerlijk toeven op het terras van kopje thee om nog even te kunnen nagenieten van al het moois en interessants wat je hebt beleefd.











Kalkrijke zomen in juni
Het idee van (kunstmatige) borders in de tuinarchitectuur is oud, maar de natuur zelf kent al sinds een eeuwigheid natuurlijke borders. Vegetatiekundigen noemen dat zomen. Deze zijn gevormd door spontane vestiging van planten. Vaak zijn ze onderdeel van de gradiënt zoom, mantel, bos. Het beheer kan bestaan uit maaien, kappen, begrazing of niets doen. Borders daarentegen zijn ontworpen en naar believen aangeplant en onderhouden in een perk. In de praktijk blijkt het in beide gevallen meestal om begroeiingen te gaan waarin (attractieve) kruiden de hoofdrol spelen. De borders vinden we in de Tuin van de Toekomst, de zomen in de Botanische Tuin.
De Botanische Tuin is omringd door bos dat op zijn beurt weer wordt omringd door een mantel met zoom. Bovendien is er een Alpinum dat omringd is door zomen. Rotsen zijn warmtewisselaars en bieden een extra kans voor warmteminnende soorten. Die zomen zijn rijk aan kruiden, die afhankelijk van de omstandigheden, onderling verschillende gemeenschappen kunnen vormen. De breedte van de zoom varieert al naar gelang de invloed van het maaibeheer en de beschaduwing die afhankelijk is van de hoogte van het bos of hoogte van het Alpinum. Een aantal zoomsoorten kan daarom ook de graslanden binnendringen en een ‘uitgelegde zoom’ vormen, waardoor deze extra bloemrijk zijn. Omdat de Hortus al ruim een halve eeuw oud is werpen de flink gegroeide bomen tegenwoordig meer schaduw dan in de begintijd van de tuin het geval was.
Afhankelijk van de bodemeigenschappen kent de tuin drie vegetatieklassen: kalkrijke, kalkarme en stikstofrijke zomen. De positie ten opzichte van de zon en en de vochthuishouding van de bodem zorgt voor een verdere botanische fine-tuning waarin de natuur planten rangschikt die al dan niet van warmte, kou, schaduw, zon, vocht of droogte houden. We beperken ons hier tot de meest kleurrijke en soortrijke, namelijk de Marjolein-klasse die in ons land sporadisch voorkomt en nagenoeg beperkt is tot Zuid-Limburg en de kalkrijke duinen. In de Hortus is deze klasse juist goed vertegenwoordigd. Om zulke kleurrijke begroeiingen van wilde planten te bewonderen moet je al gauw ver naar het buitenland reizen, terwijl je ze vanaf de paden in het kalkrijke zuidelijke deel van de tuin gemakkelijk kunt bekijken. Kenmerkend zijn veelal zeldzame soorten die in ons land vaak op de Rode Lijst staan of soms gewoon niet of niet meer in het wild voorkomen. De zoomplanten trekken meestal veel insecten. De Botanische Tuin kent minstens 30 soorten kalkminnende zoomplanten. Een kleine selectie laten we hier de revue passeren. Eerst volgen wat foto’s van karakteristieke soorten die volgens de Rode Lijst thans niet bedreigd zijn, gevolgd door een aantal die wel op de Rode Lijst staan.
Borstelkrans bijt het spits af met een typische standplaats aan het pad langs de bosrand. De volgende foto toont een close-up van de bloemen die bezocht worden door het Muntvlindertje. Wilde marjolein komt op veel plekken voor en ze worden veelvuldig door insecten bezocht zoals hier door het zeldzame Koevinkje . De Boslathyrus houdt al jarenlang stand op dezelfde plek, maar breidt zich helaas niet uit. Diverse soorten klokjes treden op als zoomplanten zoals Akkerklokje, Perzikbladig klokje met Glad parelzaad en Ruig klokje. De klokjes worden graag bezocht door een wilde bij die gespecialiseerd is in deze bloemen: de Klokjesdikpoot, hier op Ruigklokje . In de Hortus zijn de omstandigheden dusdanig dat Bloedgeranium het zeer goed doet; hier op de foto met de Gewone pendelzweefvlieg op zoek naar nectar. Bloedgeranium is in vrijwel heel Europa inheems, maar Nederland ligt net buiten het Europese verspreidingsgebied. Tegenwoordig kun je de soort door het hele land verwilderd aantreffen, maar nog niet ingeburgerd: zij kan zich nog niet op eigen kracht en zonder hulp van de mens handhaven. De verwachting is dat dat wel eens zou kunnen gebeuren vanwege de opwarming van het klimaat.









Kalkminnende zoomplanten van de rode lijst.
Ongeveer 15% van alle Rode lijstsoorten van ons land komt voor in de Hortus. Dat zijn zo’n 80 soorten, waaronder zeker 10 kalkminnende zoomplanten. In deze rubriek worden er een aantal voorgesteld. Het doel van de Rode Lijst voor vaatplanten is het in kaart brengen van de beschermingsstatus van wilde plantensoorten om zo gericht natuurbeleid, natuurbeheer en soortbescherming mogelijk te maken. De lijst is opgesteld door FLORON. Het is onderdeel van de Rode Lijst Flora en Fauna die is gepubliceerd in de Staatscourant: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2015-36471.html
We beginnen met Kranssalie die als ernstig bedreigd wordt beschouwd. In de Hortus heeft zij veel aandacht nodig om stand te kunnen houden. Meer weten: https://www.verspreidingsatlas.nl/1130#
Welriekende agrimonie doet het uitstekend in het noordoostelijke deel van de tuin, langs de rand van het “Iepenbos”. Meer weten: https://www.verspreidingsatlas.nl/0014
Torenkruid doet het goed in beide tuinen. Het vermoeden is dat deze soort zich kon verspreiden via de spoorlijn uit het zuiden. Langs het hek bijvoorbeeld niet ver van de moerbeibomen dook een groot aantal exemplaren op. Sindsdien is hij ook in de Botanische Tuin verschenen en lijkt daar ook spontaan uit te waaieren. Torenkruid behoort in ons land tot de categorie kwetsbaar. Meer weten: https://www.verspreidingsatlas.nl/1315#
Betonie doet het ook redelijk goed in de Botanische Tuin. Een aantal exemplaren groeit langs de rand van het “Iepenbos”, net als Welriekende agrimonie eveneens in het zuidoostelijke deel van de tuin. Van hieruit dringt zij ook het grasland binnen dat beschouwd kan worden als een uitgelegde zoom. Betonie is als bedreigd geclassificeerd in de Rode Lijst. Meer weten: https://www.verspreidingsatlas.nl/1244
De Hortus kent minimaal 7 verschillende anjersoorten waarvan er 4 inheems zijn en die alle 4 op de Rode Lijst prijken. Ruwe anjer is er één van. Zij verspreid zich goed en duikt op verrassend veel plekken op in de Botanische Tuin. Meer weten over deze bedreigde soort: https://www.verspreidingsatlas.nl/0402
Witte engbloem (Foto 35) kan zich spontaan in de tuin verspreiden en handhaven. In tegenstelling tot de Bloedgeranium komt deze zeer zeldzame soort nog nét voor in Zuid-Limburg. Ze is gekwalificeerd als kwetsbaar. Meer weten: https://www.verspreidingsatlas.nl/0383#






Biodiversiteit Hortus: maand juni
In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de aantallen dier- en paddenstoelsoorten die ooit op het terrein van de Hortus Nijmegen (Botanische Tuin en Tuin van de Toekomst) in juni zijn waargenomen. Het betreft de tellingen uit het gegevensbestand van Waarneming.nl. De aantallen soorten geven slechts een globaal beeld van wat in de Hortus verwacht kan worden. In tegenstelling tot planten, die oorspronkelijk van groot belang zijn voor het collectiebeheer van een botanische tuin, bewegen dieren zich snel van plek tot plek waardoor hun voorkomen veel minder voorspelbaar is. De Hortus erkent tegenwoordig ook haar rol in de bescherming van insecten. Dat is nodig ook, want het gaat helemaal niet goed met de insecten in ons land. De gestructureerde vegetatie van voornamelijk inheemse plantensoorten biedt voedsel, beschutting en plekken voor insecten om zich voort te planten. De Hortus ondersteunt hiermee insectenpopulaties en vormt zo een belangrijke plek in het ecologisch netwerk van de gemeente. Als Hortus willen we ook meer doen aan voorlichting en educatie.
Tot nu toe zijn er 2528 waarnemingen gedaan in juni waarvan er 2086 zijn gevalideerd door specialisten, zodat met zekerheid minimaal 348 soorten zijn gezien in de junimaand (zie Tabel 1). Dat aantal kan nog flink oplopen. Misschien tot 538 of meer als de voorlopige identificaties kunnen worden bevestigd en uit de zogenaamde verzamelsoorten nog meer nieuwe soorten kunnen worden vastgesteld. Ter vergelijking: over alle jaren zijn sinds het begin van de waarnemingen meer dan 20.000 observaties gedaan die een lijst opleverden van minimaal 1119 tot maximaal 1630 soorten. De soorten zijn ingedeeld in 18 hoofdgroepen. Telkens wordt per hoofdgroep aangegeven hoeveel waarnemingen zijn gedaan in juni en welke tot nu toe gevalideerd zijn. Bij sommige soortgroepen kan dat verschil aanzienlijk zijn. Groepen die bijvoorbeeld zeer talrijk zijn en soorten hebben die veel op elkaar lijken, zijn vaak lastig te identificeren op basis van foto’s. Soms worden waarnemingen dan veel later gevalideerd (variërend van weken tot maanden tot jaren) waardoor het aantal soorten dat nu bekend is later nog behoorlijk kan oplopen.
Hortus Nijmegen dankt alle waarnemers en validatoren voor hun bijdragen! Graag nodigen wij iedereen uit om waarnemingen te delen op waarneming.nl.
Tabel 1: Waarnemingen organismen (ex hogere planten) in de Hortus in juni over de jaren heen.
| Hoofdgroep | Waarnemingen | Gevalideerd | Soorten min. | Soorten max. |
| Zoogdieren | 30 | 2 | 4 | 5 |
| Vogels | 150 | 82 | 29 | 37 |
| Reptielen en amfibieën | 22 | 22 | 4 | 4 |
| Vissen | 14 | 11 | 5 | 6 |
| Dagvlinders | 654 | 648 | 25 | 25 |
| Nachtvlinders en Micro’s | 200 | 159 | 46 | 58 |
| Libellen | 229 | 228 | 19 | 19 |
| Bijen, Wespen en Mieren | 358 | 291 | 42 | 57 |
| Vliegen en Muggen | 306 | 217 | 50 | 70 |
| Kevers | 192 | 96 | 32 | 52 |
| Wantsen, Cicaden en Plantenluizen | 121 | 99 | 25 | 34 |
| Sprinkhanen en Krekels | 33 | 32 | 5 | 5 |
| Insecten (overig) | 30 | 28 | 7 | 8 |
| Geleedpotigen (overig) | 69 | 36 | 10 | 19 |
| Mollusca (Weekdieren) | 102 | 75 | 8 | 13 |
| Overige Ongewervelden | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Algen, Wieren en Eéncelligen | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Mossen en Korstmossen | 16 | 10 | 5 | 11 |
| Paddenstoelen | 29 | 23 | 9 | 13 |
| Totaal | 2528 | 2086 | 348 | 538 |
Insectengalerij in juni
In de Hortus leven dus niet alleen veel plantensoorten maar nog meer dieren en paddenstoelen. Het is onmogelijk om hier al die soorten te laten zien. De insecten zijn het talrijkst. Op deze plek komen enkele bijzondere, fraaie of zeldzame soorten aan bod, die je in juni in de tuinen zou kunnen spotten.
Volgens de Vlinderstichting zijn er in juni in ons land vaak minder vlinders te zien, een verschijnsel dat bekend staat als de ‘junidip’, omdat veel voorjaarssoorten zijn verdwenen en de zomergeneratie nog moet uitkomen. Toch is het opmerkelijk dat er maar liefst 25 soorten dagvlinders ooit in de maand juni zijn waargenomen in de tuinen. De verklaring is waarschijnlijk dat door klimaatverandering de vlinders dagen tot weken eerder dan vroeger verschijnen en daardoor die ‘junidip’ nu vaker optreedt in mei dan in juni. Op de foto geniet het al in zomertenue geklede Landkaartje met het Boomblauwtje van de nectar waarmee de zeldzame Kruidvlier (Rode Lijst: kwetsbaar) zijn bestuivers lokt. De volgende foto toont rupsen van het Landkaartje die zich tegoed doen aan de bladeren van de Grote brandnetel die voor hun een waardplant is. Grote brandnetel is trouwens ook waardplant voor Dagpauwoog en Atalanta en daarom sparen we in de tuin altijd wel ergens enkele exemplaren bij het wieden. Meer weten: https://vlinderstichting.nl/vlinder/landkaartje/
Mochten de dagvlinders in de tuin een junidipje vertonen, dan valt er nog genoeg te beleven met de libellen. De waarnemingslijst van juni telt 19 soorten, waarvan er een tiental met enig geluk te zien zijn. De volgende soorten tot de meest geziene, met tussen haakjes het aantal waarnemingen: Weidebeekjuffer (10), Azuurwaterjuffer (35), Lantaarntje (46), Vuurjuffer (22), Viervlek (33), Gewone oeverlibel (20), Grote keizerlibel (22) en Smaragdlibel (12). Soms worden juffers prooi van bijvoorbeeld roofvliegen. De foto toont een dramatisch schouwspel: een Roodbaardroofvlieg, zittend op de rand van een rietblad, maakt zich meester van een juffertje. Echte libellen zijn groter dan juffers en een minder makkelijke prooi. Het zijn ook rovers en pakken soms de juffers, maar juffers op hun beurt zijn ook jagers die kleine vliegjes grijpen. De Viervlek is één van de meest algemene libellensoorten in ons land en in juni gemakkelijk te spotten in de Hortus. De Smaragdlibel is minder algemeen in ons land, maar met een beetje geluk kun je deze mooie soort bewonderen in de Hortus.





Wilde bijen en zweefvliegen
Het gaat slecht met de wilde bijen en de zweefvliegen en daarom willen we extra aandacht schenken aan deze groepen insecten. Voor uitgebreide betrouwbare informatie over de stand van zaken in ons land moet je bij het Kenniscentrum Insecten zijn: https://www.bestuivers.nl/
De Hortus biedt voedsel (nectar, stuifmeel), nestplek en waardplanten voor een aantal wilde bijensoorten en zweefvliegen. Van de c. 360 soorten wilde bijen in ons land komt c. 15 tot 20% voor in de Hortus, in juni is c. 10% waargenomen. Een handvol soorten hiervan staat zelfs op de Rode Lijst en 4 soorten ervan zijn in juni waargenomen: Knautiabij, Knautiawespbij, Breedbandgroefbij en Kauwende metselbij. In de Hortus kun je de zeldzame Knautiabij zien vliegen op de bloemen van enkele soorten uit de kamperfoeliefamilie die ook al op de Rode Lijst staan, namelijk Veldbeemdkroon en Duifkruid . Veldbeemdkroon doet het niet zo goed in de tuin, maar Duifkruid gelukkig wel. De geïntroduceerde Bergknautia doet het ook goed en wordt veelvuldig door de Knautiabij bezocht De Hortus is trots dat zij bijdraagt aan de instandhouding van de Knautiabij. Meer weten over deze fascinerende wilde bij: https://natuurtijdschriften.nl/pub/1011611
Nog zeldzamer is de Knautiawespbij, hier op een beemdkrooncultivar in de Tuin van de Toekomst . Dit is een zogenaamde koekoeksbij. Daarvan zijn er wel zo’n honderd soorten in ons land. Ze zorgen niet zelf voor eten voor hun jongen. In plaats daarvan leggen ze stiekem eitjes in het nest van een andere bijensoort, in dit geval de Knautiabij. Zodra de larve uitkomt, schakelt die het eitje of de larve van de ‘gastheerbij’ uit en eet vervolgens het voedsel op dat al voor de andere bijen was klaargelegd. Meer weten: https://www.wildebijen.nl/nomada_armata.html
De Breedbandgroefbij wordt op verschillende planten gezien. Hier op de Beklierde kogeldistel. De laatste twee decennia heeft zij flink terrein gewonnen. Via het Rijn- en Maasdal rukte de soort op naar het noorden en inmiddels duikt zij vooral in oostelijk Nederland op, met name in schrale graslanden en bloemrijke uiterwaarden. Meer weten: https://www.wildebijen.nl/halictus_scabiosae.html
Tot de meest in juni voorkomende wilde bijensoorten behoren Akkerhommel (op de foto op Knoopkruid), Grote koekoekshommel (op de foto op Echte koekoeksbloem) , Pluimvoetbij (op de foto op Knoopkruid), Weidehommel (op de foto op Knautia) en de Klokjesdikpoot die we tijdens ons rondje al tegenkwamen . Deze heet trouwens niet voor niets zo, want de Klokjesdikpoot bezoekt graag de bloemen van de klokjesfamilie. Meer weten: https://www.wildebijen.nl/klokjesdikpootbij.html
Van de c. 330 soorten zweefvliegen in ons land komt c. 20% voor in de Hortus en in de junimaand bijna 10%. Drie staan er op de Rode Lijst, maar deze vliegen niet in juni. Tot de meest in juni voorkomende soorten behoren de Hommelreus (op de foto op Cistus laurifolius), de Grote narcisvlieg (op de foto op Bloedgeranium), de Blinde bij (op de foto op Margriet) en de Doodshoofdzweefvlieg (op de foto op Rosa multiflora) en verder nog de Snorzweefvlieg en de Gewone pendelvlieg die we al tijdens het rondje door de tuin tegenkwamen.
In het bericht ‘Juli in de Hortus’ komen ook weer andere groepen dieren aan de beurt.
Tekst en foto’s: Jan Jansen











