April in de Hortus

Home > April in de Hortus
31 mrt 2026

Het voorjaar is nu écht begonnen

April is de maand waarin het planten- en dierenleven pas goed op gang komt. Het aantal bloeiende soorten is zeker het dubbele van maart. Veel vogels zijn aan het broeden geslagen en hun vrolijke gezang in de ochtend maakt dat we de dag met goede moed kunnen beginnen. Een gedicht van Victor Westhoff beschrijft de tedere sfeer in de vroege ochtend die je eind april kunt aantreffen. Het is één van de literaire bakens die verspreid staan in de gemeente Nijmegen.

Door klimaatverandering neemt de warmte toe en ook het aantal zonuren, terwijl april qua neerslag wispelturiger lijkt te worden. April doet nog steeds wat hij wil en kent de laatste decennia een nog sterkere afwisseling tussen droge en natte, warme en koude perioden. Veel soorten struiken en bomen beginnen kleur te krijgen en sommige verspreiden veel pollen zoals de berken. De eiken en beuken behoren tot de laatste bomen die in blad komen. In de volgende fotoserie zie je de cultivar ‘Thalia’ van de prachtige uit Zuidwest-Europa afkomstige Narcissus triandrus volop bloeien, terwijl de beuken op de achtergrond nog in blad moeten komen. De volgende foto van 1 april 2022 toont hoe de sneeuw met de eerste groene blaadjes wedijvert om struiken en bomen aan te kleden. De sneeuw was op die dag ook neergedaald op de Gulden sleutelbloem. Het daarop volgende beeld toont het Groot hoefblad in de regen en als laatste beeld een kleurrijke impressie van het Alpinum eind april.

‘Witte golven’ in de kruidlaag

Het kan dus sporadisch voorkomen dat de Hortus in april bedekt is met een laag sneeuw. Wat echter altijd voorkomt is dat elk jaar grote vlakken sneeuwwit kleuren door de bloemen van de Bosanemoon. Dat is niet de eerste keer dat de bodem wit kleurt door bloemen. De eerste ‘witte golf’ is de bloei van het Sneeuwklokje in de winter (zie nieuwsbrief januari). De tweede golf is dus van de bosanemonen die al in maart begint. Later in april tot in mei volgt de derde golf met de witte tapijten van het sterk geurende Daslook. Op de foto een ‘ton sur ton’ momentje met Klein geaderd witje. Dat zijn trouwens niet de enige witbloeiende soorten die dan te zien zijn, maar wel die een sneeuwwit massaeffect bereiken. Witbloeiende soorten als Lenteklokjes (nieuwsbrief maart), Zomerklokjes, en Grote muur vallen goed op maar zijn minder vlakdekkend. Daarnaast zijn er nog heel wat soorten die in aantal, grootte of bedekking minder opvallen. Zo gedijt op het Alpinum de in ons land zeer zeldzame Pijlscheefkelk waar we heel trots op zijn, omdat zij zich spontaan uitbreid. De natuurlijke standplaats wordt hier goed geïmiteerd: warme ondiepe kalkhoudende gruis- en steenbodems waar nauwelijks bodemvorming optreedt. Dergelijke condities zijn uiterst zeldzaam in ons land. Na de eeuwwisseling is zij alleen nog aangetroffen in Limburg en vooral in het zuiden daarvan op vlakke plateaurandjes van mergelrotsen en bovenkanten van oude muren. Reeds eind maart beginnen ook twee andere telgen uit de Kruisbloemenfamilie te bloeien, beide uitheemse (rots-)tuinplanten: Arabis procurrens en Iberische scheefbloem. Vooral de laatste is interessant vanwege het Scheefbloemwitje. Deze vlinder is voor het eerst in ons land gezien in 2015 in Zuid-Limburg en drie jaar later al in de Hortus, zowel vliegend, nectar slurpend en ei-afzettend. De allereerste gevalideerde waarneming van Scheefbloemwitje in de Hortus was op 23 juni 2018 toen hij nectar zocht op Duifkruid. Sindsdien wordt hij elk jaar gezien. Het is oorspronkelijk een soort uit berggebieden in Midden- en Zuid Europa, maar heeft zich deze eeuw razendsnel verspreid. Naast klimaatverandering en zijn vermogen om vijf generaties per jaar te produceren speelt de aanwezigheid van Iberische scheefbloem in tuinen waarschijnlijk ook een rol, maar de vlinder gebruikt ook andere waardplanten uit de kruisbloemenfamilie. Klik hier en leer meer over het Scheefbloemwitje.

Ook wat betreft de struiken is er zoiets als een ‘witte golf’: eerst bloeien de kroosjes (nieuwsbrief maart), dan de sleedoorns (nieuwsbrief maart) en daarna de meidoorns. Bij struiken en bomen heb je soms het verschijnsel dat de bloemen eerder komen dan de bladeren (zoals bij sleedoorns) of juist andersom (zoals bij meidoorns).

‘Donseikenbos’

Er zijn trouwens nog wel meer struik- en boomsoorten die wit bloeien in april. Sommige staan relatief dichtbij elkaar in de buurt van het duin, zoals de inheemse Boskers en het oorspronkelijk uit Noord-Amerika afkomstige Amerikaans krentenboompje en de uit Georgië afkomstige Kaukasische pimpernoot. Links en rechts van het duin groeit vrij veel Rode kamperfoelie die ook wit bloeit in april. Deze laatste trekt veel insecten, zowel voor de nectar als voor plek om op te warmen in de ochtendzon. Op de foto is een bandzwever van het genus Syrphus te zien die nectar zoekt bij de bloesem van Rode Kamperfoelie. Bandzwevers lijken zoveel op elkaar dat alleen determinatie met een loep uitsluitsel brengt. De volgende is de Pluimwoudzwever die ligt te zonnen op de bladeren van de Rode kamperfoelie. Hun areaal omvat voornamelijk Zuid-Limburg en zuidoostelijk binnenland. Ze houden van oude loofbossen en hun larven leven in rottend hout.

Oorspronkelijk bij de aanleg had men bedacht om westelijk achter het duin een warmteminnend ‘Donseikenbos’ aan te leggen. Ons klimaat leent zich niet voor dit soort bossen, maar wat niet is kan nog komen door de klimaatverandering. Om ze te zien moet je naar het zuiden en zuidoosten van Europa. In zulke bossen groeien soorten als Rode kamperfoelie die het heel goed doet in de Hortus, en verder Gele kornoelje die ook bij het duin staat en bijvoorbeeld ook de Europese pimpernoot. Deze laatste was wellicht niet beschikbaar bij de aanleg, maar wel de erop lijkende Kaukasische pimpernoot. De Pluim-es is ook een boom die in dat soort bossen kan groeien. Aan de rand van het duin staat dan wel weer de Amerikaanse es, maar misschien was de Pluim-es destijds niet beschikbaar. Er staan ook enkele exemplaren van de Mispel. Deze vermoedelijk uit het Midden-Oosten stammende soort is waarschijnlijk door de Romeinen als fruitboom naar onze streken gebracht. Ze komen vaak voor in gebieden met een klimaat dat gunstig is voor wijnbouw en kunnen verwilderd optreden aan bosranden. In Zuid-Europa groeit de Mispel o.a. in Donseikenbossen.

Zeldzame planten

Al meer dan een derde van de Nederlandse flora wordt bedreigd. Dat komt voornamelijk omdat a) planten teveel stikstof krijgen, b) omdat het traditionele – in feite biologische – boerenbeheer verdwenen is, en c) doordat de verstedelijking en infrastructuur nog steeds toeneemt. Maar klimaatverandering en introductie van exoten hebben ook hun invloed… In de Hortus hebben we tientallen soorten die op de Rode Lijst staan. Enkele worden hier getoond. Ze bloeien in april of zijn dan al goed te zien.

We beginnen met de Voorjaarsganzerik. Deze soort is Ernstig Bedreigd (EB) en komt voor op voedselarme kalkrijke bodems in de zeeduinen, op rivierduinen en op kalkhoudende steen- en gruisbodems. Dat laatste milieu waarvan ook de Pijlscheefkelk profiteert vinden we op het Alpinum.  We gaan verder met de Knollathyrus (EB). Deze groeit op vrij zonnige tot licht beschaduwde plaatsen op matig droge tot min of meer vochtige, matig voedselarme, onbemeste, zwak zure tot neutrale grond (zie FLORON verspreidingsatlas).

Boswaldstro is waarschijnlijk verdwenen uit ons land, maar in de Hortus doet zij het goed in het Eiken-Haagbeukenbos. De soort is thuis in dergelijke bostypen in Midden-Europa. Vroeger kwam zij voor in het oosten van ons land (zie verspreidingsatlas). De gesloten noordwestgrens van het Europese areaal van Boswalstro reikte tot in Zuidoost-Nederland. Boswalstro werd in het verleden op enkele plaatsen gevonden in de omgeving van Nijmegen (St. Jansberg bij Plasmolen), waar zij al vele jaren niet meer is waargenomen. Dat zij hier te vinden was is niet zo gek want het Rijk van Nijmegen wordt vanwege de oostelijke, relatief continentale ligging gerekend tot het plantengeografische Subcentreuroop district. Dit floradistrict kenmerkt zich door een rijkere bosflora vergeleken met de overige Nederlandse pleistocene districten.

Voorjaarslathyrus bestrijkt net niet Nederland zodat zij niet op de Rode Lijst staat. Ze groeit bijvoorbeeld wel in Duitsland waar het net als Boswalstro goed gedijt in Eiken-Haagbeukenbossen of aanverwante bostypen. Deze fraaie soort is zeldzaam in de Hortus maar breidt zich wel uit in het Eiken-Haagbeukenbos. Gele anemoon groeit ook het best in Eikenhaagbeukenbossen. In Nederland is deze soort zeer zeldzaam in Zuid-Limburg, de kalkrijke duinstreek en in het rivierengebied. Elders groeit zij als stinsenplant (zie verspreidingsatlas). Knikkend nagelkruid groeit op natte tot vochtige, matig voedselarme tot matig voedselrijke, vaak kalkhoudende grond (zand, leem en veen). In de Hortus groeit zij langs de beek. Knikkend nagelkruid is  zeer zeldzaam in ons land (zie verspreidingsatlas).

Enkele plant-insect relaties

We beginnen met de Pinksterbloem. Paasbloem was misschien een betere naam geweest, want zij bloeit vooral rond de Pasen. Interessant is de relatie met het Oranjetipje. In Nature Today staat hierover een verhaal, gelardeerd met foto’s uit onze Hortus. Nog twee soorten die bloeien in april en die figureren in Nature Today bij het thema plant & insect: Kievitsbloem en Gevlekte aronskelk

Naast deze inheemse aronskelkachtige kun je in de Hortus nog drie uitheemse soorten uit deze familie in april zien bloeien, namelijk Italiaanse aronskelk en ‘Muizenstaartje’ in de botanische tuin en Drakenwortel in de schaduwtuin. Ze worden allemaal op de wonderlijke manier bevrucht zoals dat is beschreven in Nature Today.

In de toekomst zal in de Hortus berichten extra aandacht aan dit soort plant-insect relaties worden geschonken, maar er is bij lange na  niet voldoende ruimte om alles wat er te zien is in april te beschrijven. Het is slechts een tamelijk willekeurige greep uit de mogelijkheden. Het laat zien dat er enorm veel boeiends valt waar te nemen en dat je eigenlijk nooit bent uitgekeken op hoe planten zich gedragen, maar zeker ook vanwege de verrassingen die de bezoekende beestjes met zich meebrengen. Daarom is bij de laatste serie foto’s gekozen voor de illustratie van enkele dieren in de Hortus. Voordat we met deze dierengalerij beginnen, eerst een blik op de enorme biodiversiteit in de Hortus in de maand april door de jaren heen.

Biodiversiteit Hortus: maand april

In onderstaande tabel 1 wordt een overzicht gegeven van de aantallen dier- en paddenstoelsoorten die ooit op het terrein van de Hortus Nijmegen (Botanische Tuin en Theetuin) in april zijn waargenomen. Het betreft de tellingen uit het gegevensbestand van Waarneming.nl. De aantallen soorten geven slechts een globaal beeld van wat in de Hortus verwacht kan worden. In tegenstelling tot planten, die oorspronkelijk van groot belang zijn voor het collectiebeheer van de botanische tuin,  bewegen dieren zich snel van plek tot plek waardoor hun voorkomen veel minder voorspelbaar is. De Hortus erkent tegenwoordig ook haar rol in de bescherming van insecten. Dat is nodig ook, want het gaat helemaal niet goed met de insecten in ons land. De gestructureerde vegetatie van voornamelijk inheemse plantensoorten biedt voedsel, beschutting en plekken voor insecten om zich voort te planten. De Hortus ondersteunt hiermee insectenpopulaties en vormt zo een belangrijke plek in het ecologisch netwerk van de gemeente. Als Hortus willen we ook meer doen aan voorlichting en educatie.

Bij Waarneming.nl worden waarnemingen van plantensoorten uit botanische tuinen niet als wild beschouwd, maar als aangeplant (dus niet spontaan). Daarom worden deze niet in dit overzicht meegenomen. Toch vestigen zich veel plantensoorten spontaan elders van waar ze ooit zijn aangeplant of ingezaaid en kunnen ze al generaties lang op het terrein hun levenscycli doorlopen. Mossen, korstmossen en algen worden wel door Waarneming.nl als wild beschouwd en derhalve ook hier in het overzicht vermeld. Ook al mogen de plantensoorten niet meetellen, de in de botanische tuin gecreëerde biotopen/plantengemeenschappen, met hun bijzondere floristische samenstelling, faciliteren wèl het voorkomen van veel dieren, met name in het voorkomen van insecten. De soortdichtheid is erg hoog en zonder twijfel kan de Hortus gezien worden als één van de biodiversiteitshotspots in de gemeente Nijmegen. Het aantal waarnemingen is de laatste jaren flink toegenomen en mede daardoor het aantal waargenomen soorten.

Figuur 1 – waarnemingen in april

Tot nu toe zijn er 1979 waarnemingen gedaan in april waarvan er 1412 zijn gevalideerd door specialisten, zodat met zekerheid minimaal 292 soorten zijn gezien in april (zie tabel 1). Dat aantal kan nog flink oplopen. Misschien tot 408 of meer als  de voorlopige identificaties kunnen worden bevestigd en uit de zogenaamde verzamelsoorten nog meer nieuwe soorten kunnen worden vastgesteld. Ter vergelijking over het hele jaar zijn sinds het begin van de waarnemingen meer dan 20.000 observaties gedaan die een lijst opleverde van minimaal 1090 tot maximaal 1590 soorten. De soorten zijn ingedeeld in 18 hoofdgroepen. Telkens wordt per hoofdgroep aangegeven hoeveel waarnemingen zijn gedaan in april en welke tot nu toe gevalideerd zijn. Bij sommige soortgroepen kan dat verschil aanzienlijk zijn. Groepen die bijvoorbeeld zeer talrijk zijn en soorten hebben die veel op elkaar lijken, zijn vaak lastig te identificeren op basis van foto’s. Soms worden waarnemingen dan veel later gevalideerd (variërend van weken tot maanden tot jaren) waardoor het aantal soorten dat nu bekend is later nog behoorlijk kan oplopen.

Hortus Nijmegen dankt alle waarnemers en validatoren voor hun bijdragen! Graag nodigen wij iedereen uit om in 2026 (opnieuw) mee te helpen om het aantal waargenomen nieuwe soorten te verhogen.

Tabel 1 Per hoofdgroep: totaal aantal waarnemingen, gevalideerde waarnemingen en absoluut minimum tot mogelijk maximum aantal soorten in de maand april over de jaren.

Dierengalerij

In de Hortus leven dus niet alleen veel plantensoorten maar nog meer dieren en paddenstoelen. In deze dierengalerij worden enkele soorten getoond die je in april zou kunnen tegen komen.

Er is een kleine selectie gemaakt uit de hoofdgroepen:

De Rode eekhoorn is een reguliere bewoner van de Hortus. In april zie je hem vaker bij de iepenbomen waarvan hij graag de zaden eet en verzameld voor zijn jongen. Op de foto zie je hem bezig met de zaden van de Gladde iep met op de achtergrond de bloemen van de Kaukasische pimpernoot.

De Hortus is ook een divers klanklandschap. April is wel het meest muzikaal. De wind, de regen, de bladeren doen mee, maar vooral de tientallen vogelsoorten zorgen voor de concerten. Ga ergens rustig zitten in deze ‘Hortusconcertzaal’. Doe je ogen dicht en luister naar de luide heldere stem van de Zanglijster die een scala aan melodieën uit zijn uitgebreide repertoire ten gehore brengt. Of luister naar die andere luide en heldere maar minder gevarieerde zang van de Zwartkop, of naar het roffelen en lachen van de spechten, de parelende watervalletjes van de Roodborst, de snelle trillers van het Winterkoninkje, het heldere ‘wiet-wiet-wiet’ van de Boomklever, het hese kraaien van de Gaai, enz. enz. Wil je leren welke vogels je hoort zingen gebruik dan eens de gratis ‘Merlin Bird ID app’ die de geluiden analyseert en dan aangeeft welke soorten je hoort.

Van de dagvlinders zijn al enkele soorten voorbij gekomen. Daarom slaan we die over en komen bij de nachtvlinders. De Smaragdlangsprietmot is de vroegst vliegende van de vijf soorten langsprietmotten die in de Hortus worden gezien. Ze hebben hele lange sprieten, vandaar de naam. In april kun je ze soms in vrij grote aantallen zien dansen, vaak in de buurt van de beek of aan de bosrand. Zeker een handvol soorten langsprietmotten komen voor in de Hortus en de kans om ze allemaal te zien is het grootst in mei. In april zijn er nog niet zoveel libellen, maar de mooie Vuurjuffer is dan verreweg de meest voorkomende soort.

De Gewone sachembij is een veel geziene wilde bij in april. Op de foto is te zien hoe een mannetje nectar zoekt bij een Basterdhyacint die in april prachtig bloeit. De Salomonszegelbladwesp behoort tot de hoofdgroep ‘vliegen en muggen’. Diverse Polygonatum-soorten waaronder de Gewone salomonszegel zijn hun waardplant. Hun larven eten van de bladeren en kunnen zo een hele plant strippen. In de Hortus kun je af en toe de sporen zien. Volwassen exemplaren (imago’s) zijn wat lastiger te spotten.

Het Elzenhaantje is één van de meest geziene kevers in deze maand. Ze doen zich tegoed aan de verse blaadjes van de Zwarte els die zich eerst nu ontvouwen, nadat de bloemen al veel eerder in het seizoen verschenen. De Vuurwants behoort tot de volgende hoofdgroep. Ze kunnen soms met grote aantallen optreden. We slaan nu twee hoofdgroepen over en komen bij de groep ‘geleedpotigen overig’. Hiertoe behoren ook de spinnen. In de Hortus zijn relatief vaak exemplaren van de Kameleonspin te zien, ook al in april of zelfs soms eerder, maar je moet wel goed kijken want ze zijn klein en nemen de kleur aan van hun omgeving, vandaar de naam. Ze wachten rustig tot er een klein insect op bezoek komt om ze te vangen. Op de foto met prooi op Borstelig ribzaad.

Als afsluiter komen we bij de weekdieren. In april begint het steeds groener te worden en daarmee begint ook weer het slakkenseizoen. De prachtig gevormde Grote clausilia is één van de meest geobserveerde slakken in april.

Tekst en foto’s: Jan Jansen

×