Meiklokje of Lelietje-van-dalen – Convallaria majalis

Meiklokje of Lelietje-van-dalen – Convallaria majalis

Meiklokje is een vaste plant (30cm) die in het wild voorkomt, het liefst op half-beschaduwde plaatsen. Onder de grond zit een kruipende wortelstok en daarom zie je vaak hele veldjes dicht opeen in bosrijke stukken, struwelen en brede houtwallen. Tussen 2 bij elkaar zittende bladeren komt een trosje van hangende klokjes die een heerlijke geur hebben.
In de 16e eeuw was al bekend dat de plant de hartwerking kan beïnvloeden. Gedroogde bloemen werden vroeger toegevoegd aan snuiftabak. Het lelietje-van-dalen is wel giftig. En de nationale bloem van Finland.

 

Wildemanskruid – Pulsatilla vulgaris

Wildemanskruid – Pulsatilla vulgaris

Eén van mijn voorjaarsfavorieten is het Wildemanskruid. Zo heerlijk harig en wollig. Ik weet nog dat ik het vroeger voor het eerst zag in het Jac. P. Thijsepark, een heempark in Amstelveen. En nooit meer vergeten.

En heel fotogeniek vind ik. Er staan er een paar te bloeien. Vrijwel de hele plant is zijdeachtig behaard en bloeit paars van maart tot mei.
Zowel in de arcadische als de botanische tuin te vinden. Later meer over de mooie zaadpluisjes-bolletjes. In het wild helaas niet meer te vinden…

Sleutelbloemen – Primula vulgaris, veris en elatior

Sleutelbloemen – Primula vulgaris, veris en elatior

Met een gekreukeld blad met een kroesig randje zijn er in de Hortus 3 soorten die in het wild nog maar weinig te vinden zijn. De Slanke sleutelbloem (P. elatior) heeft een scherm citroengele bloempjes op lange stelen die vaak één kant op kijken. Ze staan langs het heideveldje in bloei. De Gulden (of echte = P. veris) sleutelbloem heeft net als de slanke een klokvormige kelk en trompetachtig gele bloemetjes maar oranje in plaats van dooiergele vlekjes op goudgele kroonbladen. Ze komen iets later in bloei. De stengelloze sleutelbloem (P. vulgaris) is wollig behaard en lijkt vrijwel geen steel onder de bloemen te hebben. De bloemen daarvan zijn groter dan de andere twee en ook citroengeel met donkergele vlekken rond de kern. Er lijken bij alle soorten vrouwelijke en mannelijke bloemen te zijn maar schijn bedriegt; er zijn twee soorten bloemen, één met een grote stempel en meeldraden klein onderin de kelk en de andere andersom.

stengelloze sleutelbloem
Wit hoefblad – Petasites albus

Wit hoefblad – Petasites albus

Langs de beek op het alpinum staan ze er al, de bloemen van het wit hoefblad. Ze lijken eerst wel uit een ei te komen, aan het eind van een zwarte wortel-tak. Familie van gewoon en groot hoefblad, ook beide in de botanische tuin te vinden. Ik vind ze nogal bijzonder, lekker fris tegen de nog kale omgeving, maar dat kan ook komen omdat ik gewoon en groot hoefblad veel vaker gezien heb. Ik ben altijd weer verrast en verwonderd als ik iets voor het eerst zie. Genieten. Ze hebben nog geen blad, dat verschijnt later. Een stinzenplant.

Gele anemoon – Anemóne ranunculoídes

Gele anemoon – Anemóne ranunculoídes

De voorjaarsbloemen springen de grond uit. Er bloeien alweer heel veel bolletjes en knolletjes: de zogenoemde stinzenplanten.
Juist nu omdat er nog geen blad aan de bomen zit en ze in het licht staan.

Vier anemonen dit keer. Behalve het bloementapijt van de (witte) bosanemoon (Anemóne nemerósa) onder de bomen, zie je op een paar plekken langs de ‘holle weg’ – achter het alpinum – ook de gele anemoon. De Oosterse en blauwe anemoon zijn blauwpaars en hebben veel meer bloemblaadjes.